Belofte maakt schuld …

Dankzij het burgerinitiatief van de stichting Ons Geld is de discussie over schuldenvrij geld weer volledig losgebarsten. De discussie gaat hierbij eigenlijk over twee verschillende dingen, die weliswaar met elkaar te maken hebben, maar toch net iets anders zijn. Het eerste is het fundamentele karakter van geld. Wat is geld nu eigenlijk precies ? Waar komt het eigenlijk vandaan ?

In de schoolboeken lezen we, dat geld is ontstaan als ruilmiddel . Dit is door Jesse Frederik in een artikel op Follow the Money uitgelegd  . Het ontstaan van geld is een klassiek verhaal, dat teruggaat tot de Griekse filosoof Aristoteles. Jan kweekt graan, Piet maakt kleding, en Klaas brouwt bier voor zijn eigen bar. Onze drie consumenten kunnen hun producten natuurlijk tegen elkaar ruilen, maar dat kan alleen maar als er een “coincidence of wants” is. Als Klaas geen kleren nodig heeft, dan kan Piet zijn wol niet ruilen voor bier, want Klaas zal de wol niet aannnemen. Als Jan nieuwe kleding nodig heeft, of zin heeft in een avondje doorzakken, dan kan dat eigenlijk alleen maar als hij net geoogst heeft, want dan heeft hij graan waarmee hij kan ruilen. Onze drie consumenten hebben daarom in de loop der tijd bedacht, dat ze hun producten ook tegen een product kunnen ruilen dat ze niet direct nodig hebben, maar dat ze weer voor andere producten kunnen ruilen. Laten we dit product het ruilproduct noemen. Het maakt op zich niet uit wat voor product dat ruilproduct is, maar sommige producten zijn er beter geschikt voor dan andere. Het ruilproduct moet goed houdbaar zijn, want je wil het kunnen bewaren. Het is ook prettig als het een klein volume heeft; niet alleen voor bewaren, maar je wilt het ruilproduct ook makkelijk kunnen vervoeren. Het moet eigenlijk een product zijn dat je niet zo snel consumeert; het is juist bedoeld om te ruilen, niet om op te maken. En het is natuurlijk handig als het product makkelijk deelbaar is, zodat je de hoeveelheid kan afstemmen op de geldende ruilverhoudingen. Edelmetalen liggen dus voor de hand om te gebruiken als ruilproduct. Na verloop van tijd is men van deze edelmetalen munten gaan maken, en toen was er geld.

Het is prachtig en geloofwaardig verhaal, maar er is een probleem mee: we hebben geen enkel bewijs dat het inderdaad zo is gegaan. Uit anthropologisch onderzoek naar primitieve gemeenschappen blijkt, dat ruilhandel daar eigenlijk nauwelijks voorkomt .  Zonder ruilhandel is er geen behoefte aan een ruilproduct, en zal geld nooit zijn ontstaan. Het klassieke verhaal klopt dus niet, maar in zijn artikel komt Frederik met een alternatief verhaal. Geld zou door een overheid in het leven worden geroepen door middel van belastingen. Een overheid eist belastingen op in een bepaalde munt, waardoor mensen gedwongen worden om die munten in hun bezit te krijgen. Om dat te doen gaan de mensen onderlinge handelen met die munt, en daarmee krijg je een geldsysteem. Ook de Modern Monetary Theory, die door Jean Wanningen in ander recent FTM artikel is behandeld  , gaat er eigenlijk van uit dat geld door de overheid wordt geschapen via belastingheffing.

Voor dit idee is wel enig bewijs beschikbaar. De eerste munten verschenen zo rond 600 voor Christus in het toenmalige Griekenland, en iets later in het Perzische Rijk. We weten niet veel van de economie van de Griekse staatjes, maar we weten wel hoe de Perzische koning Darius I dit aanpakte. Hij introduceerde gouden en zilveren munten, en liet zijn onderdanen daar ook inderdaad belasting mee betalen. Het lijkt erop, dat geld inderdaad door een overheid in het leven is geroepen.

Toch is er ook met dit verhaal een probleem. Het Perzische rijk is, historisch gezien, vrij laat. 2000 jaar voordat Darius munten ging slaan bouwden de Egyptenaren al pyramides, en waren er al grote steden in het huidige Irak, Iran, en Pakistan. In de twee millenia erna zijn er diverse grote rijken geweest, die soms het hele huidige Midden-Oosten omvatten. Uit archeologische vondsten weten we, dat er veel onderlinge handel was in het hele gebied. We weten ook dat er al arbeidsspecialisatie was; pottenbakkers, wevers, bierbrouwers, scribenten, en andere ambachtslieden verbouwden niet hun eigen voedsel, en moeten dus toch op een of andere manier hun producten hebben geruild of verkocht. Er was zeker een “coincidence of wants”, en het is moeilijk voor te stellen dat er twee millenia lang alleen met ruilhandel werd gewerkt.

En dat is ook niet. We weten eigenlijk verbazend veel van de allereerste economieën. In de eerste steden in Sumerie (het huidge Irak) schreven mensen op kleitabletten. Deze zijn een stuk houdbaarder dan papyrus of perkament, en er zijn dan ook honderdduizenden van die volgeschreven tabletten teruggevonden. Een heel groot deel van deze tabletten bevat administratie. We beschikken over uitgebreide bronstijd boekhoudingen, en we kunnen een aardige reconstructie maken over hoe de oude Sumeriers hun economie hadden georganiseerd.

Wat zien in de tabletten, is dat er inderdaad een soort ruilproduct wordt gebruikt. De waardes van alle producten worden uitgedrukt in standaardgewichten van een bepaald product. Echter, in tegenstelling tot wat je zou verwachten, was dat product niet makkelijk houdbaar en vervoerbaar, was het juist bedoeld voor consumptie, en was het niet makkelijk deelbaar. Het product was een bepaalde hoeveelheid graan; de hoeveelheid graan die iemand nodig heeft om een maand te overleven. Dat lijkt toch een vrij onpraktische ruilproduct te zijn. Je zou dan continu met allemaal zakken graan moeten rondlopen, en een balans bij je moeten hebben om de juiste hoeveelheden af te wegen als je iets wilt betalen.

Maar waarom zou je dingen eigenlijk meteen moeten betalen ? Zowel het klassieke verhaal als het nieuwe verhaal gaan er eigenlijk vanuit, dat de economie alleen op basis van boter bij de vis werkt. Als er iets gekocht wordt, dan wordt het ook meteen betaald. Maar eigenlijk is dat helemaal niet nodig. Zelfs nu, met onze geavanceerde elektronische betaalsystemen, vinden betaling en levering nog vaak op hele verschillende tijdstippen plaats. Een simpel voorbeeld zijn restaurants of bars, waar we onze onze bestellingen laten opschrijven, en pas afrekenen als we weggaan. En als we met een creditcard afrekenen, dat betalen we eigenlijk pas nog veel later. Als we producten bestellen, dan wordt de factuur vaak achteraf, of met het product mee, opgestuurd, en daarna pas betaald. Of we betalen eerst, zelfs nog voordat het product uberhaupt aan ons in opgestuurd, zoals bij de meeste webshops, of bij kaartjes voor een concert. Er is geen enkele noodzaak voor gelijk oversteken. Zolang we het vertrouwen hebben dat we uiteindelijk toch wel ons geld of ons product krijgen, vinden we het geen enkel probleem om de betaling later te doen dan de levering … of eerder.

In primitieve gemeenschappen zonder ICT systemen zal dit alleen maar meer voorkomen; in het oude Sumerie waren nog geen pinpassen, iDeal of PayPal. De economie functioneerde op basis van beloftes. Klaas tapte Jan’s biertjes in zijn bar, want hij wist dat hij van Jan een lading graan zou krijgen na de oogsttijd. De biertjes die hij voor Piet tapte, had hij aan Piet belooft toen hij nieuwe kleding van hem kreeg. Zeker in relatief kleine gemeenschappen, waar de meeste mensen elkaar kennen, is het heel goed mogelijk om met dit soort onderlinge beloftes te werken, en dat is ook precies wat vrijwel alle anthropologische studies laten zien. In primitieve gemeenschappen gaat onderlinge handel op deze manier. Er is nauwelijks ruilhandel, maar er is een ingewikkeld stelsel van onderlinge beloftes.

En het is niet alleen mogelijk, het is eigenlijk zelfs noodzakelijk. Want producten zijn nooit op precies hetzelfde tijdstip klaar. Oogsten gebeurt slechts enkele keren per jaar, maar pottenbakken of wol weven kan altijd. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat er zo weinig ruilhandel wordt gevonden; het komt zelden voor dat twee personen op precies hetzelfde moment iets hebben dat ze kunnen en willen ruilen.Maar dat is helemaal niet erg; de meeste mensen vinden het geen probleem om iets aan een ander te geven, als de ander belooft dat hij daar later wat voor teruggeeft. Er is helemaal geen noodzaak om een ruilproduct te gebruiken.

Producten en diensten komen niet uit de lucht vallen. De Sumerische graanvelden hadden uitgebreide irrigatiesystemen nodig, met ingewikkelde kanalenstelsels en sluizen. Voordat Jan uberhaupt zijn graan kan oogsten heeft hij maanden werk gehad om zijn velden hiervoor klaar te maken. Tijdens het groeiseizoen moets hij onkruid wieden, en daarna natuurlijk al het graan van de akkers oogsten. Om kleding te maken heeft Piet naalden, draden en scharen nodig. Klaas kan wel bier willen brouwen, maar als hij geen graan heeft dan zal daar niets van terechtkomen. De Cost gaet voor de baet uyt, zoals onze voorvaders van de VOC al heel goed wisten. Beloftes zijn niet alleen handig, ze zijn broodnodig om uberhaupt dingen geproduceerd te krijgen. Jan kan Piet en Klaas een deel van zijn oogst beloven, als ze meehelpen om zijn velden zaaiklaar te krijgen, en later om zijn oogst binnen te halen. Klaas kan vervolgen bier brouwen van zijn aandeel. Piet belooft Klaas een nieuw overhemd, als tegenprestatie voor de biertjes die hij drinkt in Klaas’ bar.

Als gemeenschappen groter worden, en het aantal producten toeneemt, dan wordt zo’n stelsel van onderlinge beloftes natuurlijk erg ingewikkeld. Er ontstaat vanzelf de behoefte om de beloftes ergens vast te leggen, zodat mensen het niet allemaal hoeven te onthouden. Mensen hoeven dan niet meer al hun beloftes te onthouden, en belangrijker nog, door de beloftes vast te leggen kan er geen misverstand meer bestaan over wat de belofte precies inhield. En dat is dan ook precies wat er in het oude Sumerie gebeurde: het schrift werd uitgevonden, zodat alle beloftes fatsoenlijk geadministreerd konden worden.

De alleroudste kleitabletten met schrift die we kennen zijn allemaal boekhoudingen . Pas veel later zou dat schrift ook gebruikt gaan worden voor andere dingen. De eerste tabletten met epische verhalen en religieuze rituelen vinden we pas honderden jaren later. In de oudste lagen van de Sumerische steden vinden we slechts administratieve tabletten. In Egypte schreven ze op Papyrus, zodat er weinig documenten bewaard zijn gebleven, maar er zijn genoeg aanwijzingen dat het daar op een vergelijkbare manier is gegaan . Het schrift is uitgevonden om een uitgebreide boekhouding van beloftes mogelijk te maken.

De standaardeenheden maakten het ook mogelijk om met deze beloftes te betalen, want door de waarde van alle producten in een standaardeenheid uit te drukken kan je beloftes tegen elkaar wegstrepen.

 

Dit is natuurlijk allemaal zeer interessant voor historici, maar heeft een 5000 jaar oud geldsysteem eigenlijk wel enige relevantie voor de huidige tijd ? Ik denk het wel, omdat het laat zien wat het fundamentele karakter van geld is . Geld is in eerste instantie schuld. Dit hele verhaal wordt uitgebreid beschreven in het Debt: the first 5000 years van David Graeber  , waarin het zeer goed wordt onderbouwd met een waslijst aan bronnen. Graeber, echter, richt zich vooral op schuld als een manier van de elite om het volk onder controle te houden. Ik denk dat dat te beperkt is. Geld, of schuld, is noodzakelijk om uberhaupt iets van een economie te kunnen hebben. Zonder investeringen is er geen economie; je moet zaaien voor je kunt oogsten. Investeringen beginnen altijd met een belofte; de belofte dat er later een mooie opbrengst zal zijn. En belofte maakt schuld.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *