Korte Biografie

Ik ben altijd zeer breed geintresseerd geweest in zeer diverse zaken, en heb altijd een voorliefde gehad voor intellectuele uitdagingen. Ik wist na mijn VWO diploma dan ook eigenlijk niet wat ik nu moest gaan studeren. Dat ik ging studeren stond voor mij wel vast, want waar anders vind je een intellectuele uitdaging ?  Uiteindelijk heb ik voor economie gekozen. Dat leek me een lekker ingewikkeld vakgebied, wat ook nog eens maatschappelijk erg relevant was. En ik had het idee dat lekker breed was, zodat het goed aansloot op mijn brede interresses. Echter, al tijdens het eerste jaar bleek ik me daarin vergist te hebben. Economie ging, voor mijn gevoel, niet over de ingewikkelde problemen in de wereld, maar ging over rare abstracte modellen, waarvan ik eigenlijk niet zo snel zag waarom ze zo belangrijk waren. Ik besloot om Technische Bedrijfskunde te gaan studeren; dat was voor mijn gevoel in ieder geval een stuk concreter. Met weinig moeite haalde ik mijn propedeuse, maar ik miste eigenlijk de uitdaging in deze studie. Toevallig werd er rond die tijd een nieuwe studie opgericht in Groningen, Technische Cognitie Wetenschap. Dit was een soort mix van Psychologie, Informatica, Natuurkunde en Filosofie. Mijn interresse was meteen gewekt, en ik besloot opnieuw van studie te veranderen.

Ik voelde me hierbij als een vis in het water. De studie was uitdagen, interresant, en sloot heel goed aan bij de toenmalige ontwikkelingen op het gebied van computers en internet. Maar niet alleen inhoudelijk was ik hier op zijn plek. Aangezien de studie net was begonnen, moesten er allemaal nieuwe dingen uitgedacht en georganiseerd worden, en kon ik een zeer actieve rol spelen in het opzetten van een studievereniging en vormgeven van het curriculum van de studie.

Technische Cognitiewetenschap kan je eigenlijk op twee manier aanpakken. Het vakgebied gaat over intelligentie. De eerste aanpak is, zeg maar, de engineering aanpak. Bij deze aanpak probeer je intelligente systemen te maken; systemen die hetzelfde kunnen als mensen, zoals schaakcomputers of spraakherkenners. De tweede aanpak is de cognitieve aanpak. Hierbij onderzoek je hoe menselijke intelligentie precies in elkaar zit. Deze kennis is natuurlijk wetenschappelijk zeer waardevol, maar kan ook heel goed gebruikt worden bij het ontwerpen van dingen. Als je weet hoe menselijke denkprocessen werken, dan kan je dingen zodanig maken dat ze die denkprocessen ondersteunen. Een soort cognitieve ergonomie, zeg maar. Eigenlijk heb ik nooit een keuze tussen deze twee aanpakken gemaakt, maar heb ze allebei vol enthousiasme tot me genomen. Mijn afstudeeronderzoek ging over een visueel systeem voor een robot, maar het systeem zelf was gebaseerd op modellen van menselijk gedrag.

Na mijn studie ben ik toch de cognitieve kant opgegaan, en heb een aantal jaren onderzoek gedaan naar adaptieve systemen. De opzet was om een systeem te maken dat zichzelf kon aanpassen aan de toestand van de gebruiker. Om die toestand vast te stellen deed ik diverse metingen, zoals oogbewegingen en hartslag. Helaas hield dit onderzoek na verloop van tijd op.

Na een aantal jaren gewerkt te hebben voor enkele ICT bedrijven ben ik naar de spelsimulatiesector overgestapt. Ik ging werken voor een bedrijf dat bedrijfssimulaties maakte voor trainingen. Dit combineerde een aantal van mijn interresses. Voor dit soort simulaties moet je niet alleen verstand hebben van modellen en bedrijfsprocessen, maar je moet ook goed weten hoe menselijke leerprocessen in elkaar zitten. Daarnaast is cognitieve ergonomie heel belangrijk; hoe handiger je simulatie te bedienen is, hoe beter hij gebruikt zal worden. Na een tijdje stapte ik over na een ander bedrijf in dezelfde branche, en na weer een tijdje besloot ik voor mezelf te beginnen.  Ik houd me nu bezig met onderzoek en ontwikkeling van software, specifiek gericht op leerprocessen.